Het hele agrarisch-economische leven in Genk draaide rond molens en brouwerijen. Elk Genks gezin had de beschikking over bier en meel. Er bevonden zich niet minder dan acht molens in Genk.
De banmolen was de belangrijkste (en tevens de oudste) en bevond zich aan de Molenvijver. Deze korenmolen had het monopolie over het graanmalen in Genk. De molenaar pachtte de molen die eigendom was van de grondheer van Genk. Alle Genkenaren moesten daar komen malen. De molenaar werd betaald in natura: hij schepte met de molster, het 24ste deel van het te malen graan.
Daarnaast waren er ook nog watermolens op de Stiemerbeek, o.m. de molen op den Hostaert die door de exploitatie van de mijn van Winterslag in het moeras zakte.
Van de zeven watermolens resten alleen nog deze aan de Molenvijver en de Slagmolen in Termien.
Achter de Sint-Martinuskerk stond tot 1910 ook nog een windmolen. Al vanaf de 14de eeuw lag naast de kerk de banbrouwerij. De graaf van Loon was als grondheer eigenaar van deze brouwerij en iedereen moest daar zijn bier laten brouwen. Ook vergaderde daar de schepenbank.