Extra.NET

3. Het feodale Genk

Vorige paginaVolgende paginaStartpagina

In de 6de en 7de eeuw begon de kerstening en werden hiervoor de fundamenten gelegd via de onmisbare infrastructuur zoals het stichten van abdijen die de langzame en diepgaande kerstening van de bevolking in gang zetten.

 

Genk kwam in deze tijd onder de invloedssfeer van de vrouwenabdij van Munsterbilzen. Langerlo bevond zich amper op een vijftal kilometer van deze abdij. Zeker is dat er in Genk vanaf de 9de eeuw in Genk een houten bedehuis was. Opgravingen aan de St.-Martinuskerk in 1956 en in 2000 hebben dit bevestigd. Na de dood van Karel de Grote en het Verdrag van Verdun in 843 valt het Frankische Rijk uiteen in drie delen. We zien dan het ontstaan van het feodale tijdperk. Genk zal vanaf de 10de eeuw deel uitmaken van het graafschap Loon. De eerste vermelding van Genk vinden we evenwel pas terug in een schenkingsakte van 13 december 1108. Graaf Adolph van Saphenberg schonk toen de tienden van o.a. “GENECHE” aan de abdij van Rolduc.


In de Kempen is het feodaal systeem, het leenroerig tijdperk, niet grootschalig gestructureerd geweest. De abdijen organiseerden hier wel hun domeinen, maar de leenheren hebben zich nooit ernstig met de ontginningswerken ingelaten. De schrale zandgronden met sporadisch hier en daar een vruchtbare vallei – zoals bijvoorbeeld de Dorpsbeekvallei in Genk-Centrum (het Dorp) – maakten dat het feodale stelsel niet echt van de grond kwam hier.

Enkele Kempense domeinen uitgezonderd – zoals o.a. Vogelsanck in Zolder – waren de Kempense dorpen kerkelijke bezittingen. De Loonse graven lieten toe dat enkele abdijen gesticht werden (o.m. Herckenrode en Averbode).  De laatste Loonse graaf Lodewijk IV (1323-1336) stierf zonder wettige nakomelingen en zo ontstond de successiestrijd. In 1365 leidde dit tot de inlijving van het graafschap Loon door het prinsbisdom Luik. Dit prinsbisdom dat sinds 980 ook prinselijke macht had in het leengoed, bleef bestaan tot aan de Franse Revolutie. Genk en de diverse gehuchten behoorden vanaf de 14de eeuw tot het Prinsbisdom Luik. Het prinsbisdom Luik hanteerde een neutraliteitspolitiek maar beschikte niet over de middelen om zijn neutraliteit gewapenderhand te waarborgen. In 1542 had de prins-bisschop wel nog een leger van ongeveer 6000 man (gesteund door een afdeling cavalerie) maar omwille van geldgebrek werd dit leger al snel ontbonden. Dit had ondermeer tot gevolg dat vreemde legertroepen door het prinsbisdom konden trekken. Tussen 1594 en 1609 zwierven bendes rond, veelal soldeniers en huurlingen die omwille van de financiële toestand van de Spaanse regering en de Zuidelijke Nederlanden, niet meer op regelmatige basis uitbetaald werden. Met geweld eisten zij daarom van de plaatselijke bevolking geld en goederen op.

In de Kempen, waar weinig steden van betekenis waren, lagen de dorpen en gehuchten afgezonderd, als het ware ten prooi aan de plunderingen. Om zich te verdedigen tegen de geweldplegingen van legertroepen en roversbenden gingen zij over tot het bouwen van de schansen (waarin men zich letterlijk kon verschansen).
Genk kende zeker zeven schansen die als verdediging tegen eerst de Spaanse troepen, later de vogelvrije Lotharingse troepen werden opgericht.


In Waterschei vind je vandaag nog de motruïne, een restant van wat ooit een primitieve mottoren moet geweest zijn. Net zoals bij de schans fungeerde een mottoren als een verdedigingsmiddel.
De mottoren in Waterschei dateert wellicht uit de 14-15de eeuw, en maakte deel uit van het Stalengoed, een feodaal leengoed waarvan de laathoeve ‘Wijndecke’ heette (vermeldingen reeds van 1440). In 1505 treffen we de benaming ‘Staelen’ aan. Er volgt dan een lange geschiedenis van dit leengoed met diverse leenmannen.