In Genk zijn een aantal artefacten ontdekt die er op wijzen dat deze streek reeds in de Middensteentijd bezocht werd door zwervende jagers en vissers.
De oudste sporen van landbouwbedrijvigheid in deze streken, zo’n 7.500 jaar geleden, gaan terug tot wat men de bandkeramische cultuur noemt . De Romeinse bezetter heeft nooit veel aandacht besteed aan de schrale zandgronden en ondoordringbare bossen van de Kempen. Genk is daarom gedurende verschillende eeuwen nooit echt beïnvloed door de Gallo-romanisering.
Tot het einde van de 19de eeuw leefde men in Genk in hutten en kleine hoeves, die later evolueerden naar de typische langgevelhoeven, aanvankelijk in leem en later in baksteen.
De Genkse boeren probeerden temidden van de droge gronden te overleven en voorzagen in hun eigen onderhoud door de creatie van een typisch cultuurlandschap, de heide. Die heide was niet de oorspronkelijke begroeiing. De eerste boeren rooiden de bossen om het vee te laten grazen. Door het systematisch platbranden van de oerbossen kon de heidebegroeiing deze gebieden inpalmen. De heidevegetatie verjongde constant, ook door de voortdurende begrazing door kuddes schapen, en schoot telkens weer op. Rond 1800 kende de heide-economie zijn hoogtepunt.