Extra.NET

8. Genk - economische reconversie

Vorige paginaVolgende paginaStartpagina

Met de sluiting van Zwartberg in 1966, als eerste mijnzetel in Limburg, wordt het einde van het steenkooltijdperk al ingeluid, hoewel de laatste mijn in Genk, die van Winterslag, zijn deuren pas in 1988 sluit.

 

De grote bloeitijd van de mijnen na de Tweede Wereldoorlog – de jaren 1947 tot en met 1951 zullen de geschiedenis ingaan als de ‘Kolenslag’ – begon in de jaren zestig te tanen. In vergelijking met de buitenlandse concurrenten waren de Limburgse mijnen minder rendabel door hogere loonkosten en lager rendement. De invoer van goedkopere kolen uit de Verenigde Staten beteken de definitieve doodsteek.

 
Mede dankzij de infrastructuurvoorzieningen van de mijnen in Genk, zoals een uitgebouwd spoornetwerk en de kolenhaven, groeide Genk, na Antwerpen en Gent, uit tot de derde industriestad van Vlaanderen.

Industriegiganten als Ugine & ALZ-Arcelor en Ford hebben zich in de jaren zestig gevestigd aan het kanaal, in wat vandaag bekend staat als Industriegebied Genk-Zuid. In deze tweede industrialiseringsfase kent Genk ook de uitbouw van het industrieterrein Genk Noord, dat de gemeentegrenzen naar Opglabbeek overschrijdt.


Kenmerkend aan de industriële groei van een gemeente als Genk is de expansieve aangroei van het aantal bewoners. In 1900 woonde op het grondgebied van Genk 2.537. Op 1 januari 2007 waren dit er 64.095.

 

In de beginjaren zestig, met de tweede industrialisatiefase en uitbouw van Genk-Zuid werd verwacht dat Genk zou uitgroeien tot een stad met meer dan 100.000 inwoners. Sociale huisvestingsmaatschappijen speelden hierop in. In de gouden jaren zestig ontstond dan ook de idee een sattelietstad uit te bouwen in Genk-Zuid. De sociale woonwijken Kolderbos en Nieuw-Sledderlo werden opgericht. Dit alles onderstreept nog eens het feit dat Genk niet gegroeid is vanuit het centrum en verklaart zijn typische wijkkarakter.

De gemeente Genk anticipeert op deze verwachte bevolkingsgroei met de bouw van een groot gemeentehuis. De crisis van de jaren zeventig doet het geloof in de expansieve groei van Genk echter tanen.

Hoewel na de mijnsluitingen de voormalige kolenhaven van Genk aan het Albertkanaal stilaan achteruitgingen, kent de havenactiviteit de laatste jaren een gestage groei. Genk is naast dé industriestad van Limburg ook de tweede shoppingstad van de provincie. Met Shopping 1, geopend in 1968 heeft Genk het oudste shoppingcentrum van het land op zijn grondgebied. Samen met Shopping 2, Shopping 3 en het nieuwe Stadsplein met 26 nieuwe winkelruimtes bepalen ze het uitzicht van het centrum van Genk en onderstrepen ze de handelsfunctie ervan. De aanleg van de Europalaan, eveneens in 1968 maakt dat Genk centrum vlot bereikbaar werd.


Ook de voormalige handelsstraten van de drie mijnzetels, de Vennestraat in Winterslag, de Stalenstraat in Waterschei en de Hoevenzavellaan in Zwartberg, zijn belangrijke handelsstraten geworden, waar tevens de kenmerkende, interculturele eetgelegenheden en voedingszaken gelegen zijn.

Kenmerkend in Genk is het wijkkarakter van de stad. Ingezet met de drie mijnzetels die instonden voor de oprichting van drie tuinwijken werden gedurende de twintigste eeuw verschillende woonwijken opgebouwd, waaronder Sledderlo, Kolderbos, Vlakveld, Boxbergheide en Termien.