In vergelijking met de omringende mijnbekkens zijn de Kempense steenkolen pas laat ontdekt.
In de nacht van 1 op 2 augustus 1901 werden op een diepte van 541 m de eerste steenkolenlagen in de Limbugse ondergrond, met name in As, aangeboord door André Dumont. Geologische omstandigheden hebben er voor gezorgd dat de onderliggende steenkool niet vroeger kon ontgonnen worden: kenmerkend voor de Kempische kolenlagen is o.m. dat ze (meer dan) 500 meter diep verborgen zitten. De eerste boringen van Urban en Putsage te Lanaken en van André Dumont in Elen voor de eeuwwisseling, mislukten dan ook.
De eerste Limburgse mijn gaat in 1917 in productie. Op dat ogenblik zijn de meeste Waalse bekkens al over hun hoogtepunt heen, zeker wat betreft de ontginning van vette steenkool. Het aanboren van vette cokeskolen, waaraan een groeiend tekort is ontstaan in België, Luxemburg en Frankrijk, brengt een internationale kolenrush op gang in het grootste natuurgebied van Vlaanderen: de Limburgse Heide.
Door het geringe aantal bewoners in deze streek moesten duizenden mijnwerkers uit andere streken aangetrokken worden.
Waar in het begin van de mijnontginningen hoofdzakelijk mijnwerkers van Belgische origine in dienst waren, groeide al snel de nood aan arbeidskrachten. Na de Eerste Wereldoorlog werden de eerste mijnwerkers uit het buitenland aangetrokken, vooral uit Polen, Tsjechië, Joegoslavië, Hongarije en Italië. Tijdens de Tweede Wereldoorlog worden onder andere Russische krijgsgevangenen in de mijnen tewerkgesteld. Doordat de mijnindustrie de Tweede Wereldoorlog zo goed als ongehavend doorgekomen is en de heropbouw van het Europa in puin nood heeft aan de nodige energie, kent de mijnactiviteit zijn hoogtepunt. De behoefte aan arbeidskrachten neemt opnieuw toe. De schaarste aan arbeiders wordt in eerste instantie aangevuld met Italiaanse gastarbeiders. In 1946 werd een bilateraal akkoord ondertekend tussen België en Italië. Daarin werd afgesproken dat er per week 2000 Italiaanse gastarbeiders naar België zouden worden komen, in ruil voor tweehonderd kilo kolen per dag, per tewerkgestelde Italiaan met een contract van minimum twaalf maanden. De ramp in Marcinelle waarbij 261 mijnwerkers (waaronder 136 Italianen) het leven lieten maakte een eind aan de Italiaanse immigratie naar België. In de jaren vijftig werden vergelijkbare akkoorden afgesloten met Griekenland en Spanje en vanaf 1963 met Turkije en Marokko. De mijnnijverheid heeft een zeer sterke invloed gehad op de bevolkingssamenstelling van Genk, en dit zowel wat de etniciteit van de bevolking betreft, als wat de socio-professionele status van de bevolking betreft.
Naast werkkrachten, moesten ook alle voorzieningen voor de mijnen, van bedrijfsinfrastructuur tot woongelegenheden moeten voorzien worden.
Uitgestrekte tuinwijken worden opgebouwd. De tuinwijkgedachte, die in de jaren rond W.O. I architecturaal en urbanistisch ruime internationale belangstelling kent, wordt vooral naar de vorm overgenomen. Een ingenieus huursysteem maakt dat men woningen exclusief kan reserveren voor actieve mijnwerkers en dat men de traditionele mijnwerkerskwalen zoals absenteïsme en het overlopen naar concurrerende mijnen aan banden kan leggen.
In feite ontstaan er naast de zeven Limburgse koolmijnen zeven dorpen met kleinstedelijke allures, met allerlei sociale, culturele en recreatieve voorzieningen als een kinderheil, kleuter-, huishoud- en mijnwerkersscholen, ziekenhuizen, cinema’s en casino’s met theaterzalen, muziekscholen, sportaccommodaties, mijnkathedralen…
Genk telde 3 mijnzetels:
1. Waterschei
2. Winterslag
3. Zwartberg