De schoonheid en verlatenheid van de Kempense heidegronden trekt in de loop van de negentiende eeuw talrijke schilders aan naar Genk en omstreken.
De eerste schilders bereikten het rurale gebied aanvankelijk nog per postkoets in de vroege jaren 1850. Eén van de eerste kunstenaars die bij naam gekend is en omstreeks 1852 Genk bezocht, is Edmond Tschaggeny (1818-1873). De bloeiperiode van Genk als kunstenaarsdorp werd echter pas definitief ingezet met de aanleg van de spoorlijn Hasselt-Genk in 1874.
De kunstschilders en hun leerlingen troffen hier een bijzondere landschappelijke verscheidenheid aan. De melancholische heide, de brem en berken, de geurige gagelstruiken, de dromerige duinen, de lemen huisjes met strooien daken, de vennen overkoepeld door weidse hemels vormden dankbare onderwerpen voor de landschapschilders.
Het Genker landschap, beantwoordend aan het ideaalbeeld van die tijd, wordt als het ware dé oefenschool voor talloze schilders. In die zin spreekt men soms van de Genker school, niet echt een school, maar veeleer een groep geestesgenoten. Beter is dan misschien de bestempeling van Genk als kunstenaarsdorp. De lijst is haast eindeloos, maar onder andere Théodore Baron (1840-1899), Théodore Fourmois (1814-1871), Alphonse Asselberghs (1839-1916), Franz Courtens (1854-1943) en Edmond de Schampheleer (1824-1899) kwamen de ongerepte Genkse natuurpracht schilderen.
De grote voortrekker van Genk als kunstenaarsdorp is Joseph Coosemans (1828-1904). Hij verbleef enige tijd te Barbizon en vond later inspiratie in de ongerepte plekjes van de Antwerpse en Limburgse Kempen. Als leraar aan verschillende academies (o.a. Antwerpen) stuurt hij zijn leerlingen de vrije natuur van de Kempen in, onder andere in Genk. Onder hen was ook Emile Van Doren. Samen met talrijke landschapsschilders vonden meer en meer toeristen hun weg naar de golvende heide en uitgestrekte moerassen.