Net als bij de schans, fungeerde een mottoren als verdedigingsmiddel. Op een kunstmatig aangelegde heuvel (terp of motte), omringd door een gracht, bouwde men een verdedigingstoren. Via een toegangsbruggetje kon men zich terugtrekken in de mottoren.
De mottoren in Waterschei dateert wellicht uit de 14de, begin 15de eeuw.
De burchtheuvel was oorspronkelijk aan 3 kanten door moeras omringd. Rond de heuvelvoet diepte men het moeras nog verder uit. De vierde zijde werd ontoegankelijk gemaakt door een uitgegraven greppel van bijna 15 m breed. In het midden van deze gracht spaarden de bouwers een klein eilandje uit om als voetsteun voor de toegangsbrug te dienen.
De stenen funderingen duiden op een vierkantige toren. De omtrek van het bouwwerk mat ruim 26 m en de muurdikte bedroeg 1,20 m. De toren zelf moet van hout geweest zijn, maar het dak was met schaliën bedekt. Bij de toren ontdekte men ook de restanten van een overwelfde kelder, vermoedelijk uit de 17de eeuw. Wellicht werd dit bijgebouwtje als ijskelder gebruikt.
Toen in 1970 een archeologisch onderzoek gestart werd, was het terrein een ondoordringbare woestenij met struiken en bomen. De provincie Limburg verwierf het terrein en de site werd, onder archeologische begeleiding van het Gallo-Romeins Museum, door de provinciale en gemeentelijke diensten gerestaureerd en uitgebouwd tot een toeristische attractie.