Mensen hebben altijd leven en goed willen beschermen. Prehistorische mensen wierpen aarden wallen op, later werden steden omringd met vestingsmuren.
Genk bevond zich echter tot ver in de 19de eeuw in een regio waar zich weinig steden en kasteeldomeinen bevonden, en lag bijgevolg ten prooi aan plunderaars.
Om zich te verdedigen (of verschansen) tegen de geweldplegingen van legertroepen en roversbenden, bouwden de bewoners schansen, om er bij gevaar hun gezinnen, bezittingen en vee op te vangen. . De schansbewoners kozen zelf een schansmeester, die instond voor de algemene leiding, het financieel beheer, de rechtspraak en de militaire organisatie.
Bij dreigend onheil luidde men de stormklok of werd op een hoorn geblazen, waarop de bewoners hun toevlucht zochten in de schans.
Van de 7 Genkse schansen is enkel de Waterscheischans bewaard gebleven. Hij meet 43 op 65 meter en werd bij de bron van de Stiemerbeek opgericht. De moerassige omgeving (het broek), moet een ideaal toevluchtsoord geweest zijn. Op de hoeken van de schans zie je nu nog duidelijk de bastions.
Ook de schans van Waterschei dreigde te verdwijnen. Het terrein waarop de schans zich bevindt, was sinds 1958 eigendom van de koolmijn van Waterschei, die er puin op stortte.
Op 30 juli 1974 werd het gebied terug eigendom van de stad Genk, die de nodige inspanningen levert om dit unieke stukje ecologisch en cultuurhistorisch erfgoed te vrijwaren.